Fragment uit het boek de Meimoorden

In de roman van Jacques Post “De Meimoorden” komt zo’n Duitse agent van de Abwehr voor genaamd Max Flenter. Hij bereikt de Brielse Laan.

Fragment:” Flenter bevond zich in de voorhoede, op de plek waar de Duitse opmars tot stilstand was gekomen. Hij lag op zijn buik op de trottoirtegels van de Brielselaan, met zijn wang tegen een autowiel gedrukt. Zijn tijdelijke wapenbroeders lagen om hem heen, verschanst in portieken en achter andere auto’s.
Drie dingen zaten hem dwars. Zijn huidige positie, de vastgelopen opmars en het feit dat zijn plan om te deserteren voorlopig van de baan was. Het zou gelijkstaan aan zelfmoord om zich nu in zijn Duitse uniform uit de voeten te maken. Het geweer-­‐ en mitrailleurvuur uit eenstraat verderop lieten daar geen twijfel over bestaan; het bewijs daartoe werd geleverd door de lijken van Duitse soldaten op het wegdek.
Bij de nadering van een motorfiets draaide hij zich voorzichtig om en herkende in de man in het zijspan Oberstleutnant Von Choltitz. Hij werd vergezeld door zijn adjudant, Grave, en een onderofficier.
‘Wat is hier aan de hand?’ riep de onderofficier die dekking zocht achter zijn voertuig. ‘We kunnen er niet langs,’ schreeuwde een soldaat uit een portiek terug. ‘En eromheen?’
‘Alle straten waarlangs de bruggen bereikt kunnen worden liggen onder vuur.’ ‘Pantserafweer in stelling brengen,’ beval Von Choltitz. ‘En optrekken.’ Zijn adjudant liet zijn motorfiets vallen en rende naar een portiek, een meter of vijf verderop. Vandaar schoot hij in gebukte houding naar een auto.
Anderen volgden zijn voorbeeld en ook Flenter kwam op een knie overeind. Rennend, bukkend en kruipend naderden ze de zijstraat waarin de Nederlandse soldaten zich ophielden. Een mitrailleur, die vanuit de achterhoede met vereende krachten langs Flenter heen naar voren werd gesleept, begon een ogenblik later te ratelen.
Flenter schoot op een Nederlandse soldaat die zich vanachter de bescherming van een auto waagde. Hij zag de man heen en weer wiegen en voorover vallen.
Het volgende ogenblik sloeg de adjudant van Von Choltitz tegen de grond en werd teruggesleept. ‘Waar is de Sanitater?’ riep iemand achter Flenter. ‘Geen idee, Herr Oberstleutnant.’ ‘Waarschijnlijk nog op het vliegveld,’ riep een soldaat. Flenter sprong vanuit het portiek tevoorschijn en hielp de valschermjager om de adjudant terug te slepen. ‘Hij moet hulp hebben,’ zei de Oberstleutnant. ‘Er zal toch wel een dokter in de laan wonen.’
Flenter zag zijn kans schoon en bood zijn diensten aan. Samen met twee soldaten trok hij zich met de gewonde adjudant in een zijspan terug.
Er werd opnieuw geschoten en ditmaal werd de ordonnans van Von Choltitz getroffen. De Oberstleutnant werd woedend.
‘Waarom gebruiken jullie verdomme je handgranaten niet!’ hoorde flenter hem schreeuwen.
Een dokterswoning was snel gevonden. De soldaten, zenuwachtig en gespannen, namen de roerloze adjudant tussen hen in en belden aan.
Nu. Flenter blikte om zich heen toen de deur werd geopend. De dokter, een oudere man met een ronde bril, opende de deur en keek met een bleek gezicht naar de bebloede Duitser. Nu. Met kloppend hart deed Flenter twee stappen naar voren, op het punt om naar binnen te stappen.
‘Jij daar!’ Hij draaide zich om en zag in de verte de onderofficier naar hem wenken. Een ogenblik klemden zijn kiezen zich opeen, toen begon hij langzaam terug te lopen. Het was vooral zaak niet in paniek te raken. Tot dusver was alles naar wens verlopen en hij was niet van plan zich door iets of iemand van zijn plannen af te laten brengen. Hij moest geduld oefenen. ‘Naar voren,’ beval de officier.